
Doornroosje,
Gisteren schreef ik je over de dag van gisteren. De dag waarop je in slaap viel, honderd jaar geleden.
Ik heb daar de hele dag over nagedacht, terwijl ik verder liep.
Als honderd jaar als de dag van gisteren is, dan is duizend jaar als tien dagen geleden. [...]
Maar dan is de dag van morgen ook pas over honderd jaar.
Dat verbaast me niet.
Morgen: dat is zó ver weg, zó onbereikbaar ver weg.
Dat heb ik altijd al gevonden.
Morgen is over honderd jaar.
Er gaan vier jaar in een uur.
De zon gaat onder. Over een jaar wordt het donker.
Over tien jaar ga ik slapen en aan jou denken.
Eergisteren was je nog niet eens geboren.
Overmorgen gooien je achterkleinkinderen met sneeuwballen.
En nu lijkt wel eindeloos te duren. Klein ondeelbaar nu.
Het is nu. Het is altijd maar nu.
P.
uit "Brieven aan Doornroosje" van Toon Tellegen.
20u: Vandaag zijn we enkel 's avonds bij Greet geweest, zodat we overdag eens bij Kaat op bezoek konden gaan. Want hoe stoer ze ook doet, ook zij heeft soms de hulp van papa en mama nodig.
De toestand van Greet is intussen nog altijd stabiel. De voeding verloopt nu zo goed dat ze haar zelfs op dieet hebben moeten zetten. Bij wijze van spreken dan. Ze kreeg vandaag minder dan gisteren omdat ze teveel calorieën haalde uit de voeding die ze kreeg.
Morgen moet ze alweer naar de operatiekamer. Het is de bedoeling om nu ook op haar andere been kunsthuid te zetten. Laat die kaarsjes dus maar weer branden.